Category Archives: Burke, Edmund

A spouter of rubbish

screen-shot-2017-03-05-at-12-50-25The noted bodybuilder Asao B. Inoue, editor of Muscle Invasion magazine and professor of writing at the University of Tacoma in the state of Washington in the USA, writes like this:

Antiracist writing assessment ecologies explicitly pay close attention to relationships that make up the ecology, relationships among people, discourses, judgments, artifacts created and circulated. They ask students to reflect upon them, negotiate them, and construct them. Antiracist writing assessment ecologies also self-consciously (re)produce power arrangements in order to examine and perhaps change them. When designing an antiracist writing assessment ecology, a teacher can focus students’ attention on a few of the ecological elements discussed, which inter-are. This means addressing and negotiating one element, say the part of a rubric, means you are addressing others, such as power relations and the ecological places where students problematize their existential writing assessment situations.

Dalrymple comments:

Cicero said that nothing was so foolish that some philosopher had not said it. This is just as well for us journalists, because it gives us such easy targets when we have deadlines to meet and no time to think, which is most of the time. The targets are becoming easier and easier. It is almost unfair, like mowing down a herd of deer with a machine gun. Massacre is not sport.

Not exactly Gibbon

Not exactly Gibbon

Still,

it must be done, or rubbish will rule the day; for the problem with the spouters of rubbish is that they are serious, in intent if not in thought. They want to change the world, and often succeed because at first no one takes them at their word. All that is needed for evil to flourish, Edmund Burke is said to have said, though no one can find where or when exactly, is for good men to do nothing.

Inoue, whom Dalrymple describes as

a deeply conventional corrupter of youth,

has

delivered himself of the pseudo-original opinion that American grammar is inherently racist.

screen-shot-2017-03-05-at-12-58-35Dalrymple writes:

It might be thought that a man like Professor Inoue could do little damage. It is unlikely that ghetto youth will ever go on the rampage shouting Problematize our existential assessment situations! It has other problems on its mind, such as police brutality and the price of crack.

The problem is that Inoue

probably demands of his students that they reproduce his thoughts—or rather, opinions. Professor Inoue is not alone in his disapproval of standard grammar, far from it: Pedagogically, it has become almost an orthodoxy.

The professor goes in for polysyllabic pseudo-ratiocination

The professor goes in for polysyllabic pseudo-ratiocination

Whatever else may be said of this view,

it is certainly socially conservative in its effects, for to discourage impoverished children from learning a standard language is to ensure (unless they become sportsmen or the like) that they remain impoverished for the rest of their lives, not only economically but in intellect. To be intelligent but not to have the tools to be able to use one’s intelligence is a terrible fate, and dangerous.

Absurdity in the modern world, says Dalrymple,

is not just funny (though it is funny); it has harmful effects. Politically correct thinking seems to have insinuated itself into the nooks and crannies of our culture. People who have utterly conventional thoughts by the standards of political correctness think they are daring, and that subversion consists of saying what everyone else (everyone in le tout Paris sense of the word) says.

screen-shot-2017-03-05-at-12-12-27screen-shot-2017-03-05-at-13-02-38

‘Voor bralnationalisme voel ik niets’

Screen Shot 2016-06-20 at 23.02.48De conservatieve cultuurcriticus Theodore Dalrymple over nationalisme, zelfbeheersing en fatsoen. ‘Wij zijn beter dan jullie, en als jullie dat niet bevalt, hoepel dan vooral een end op’, daar voel ik niets voor.

Door het boekje dat u samen met Bart De Wever hebt gepubliceerd (Vrijheid en oprechtheid, 2011), wordt u in Vlaanderen sterk met de N-VA vereenzelvigd. Maar wat vindt u eigenlijk van nationalistische partijen?

Laat me eerst zeggen dat ik De Wever een van die zeldzame politici vind die althans gevoel voor humor hebben. Hij is ook erudieter dan ik van politici gewend ben, spreekt vier talen – dat verdient respect. Maar wat het nationalisme betreft: het hangt er helemaal van af wat men er precies onder verstaat. Het soort uitsluitende bralnationalisme à la ‘Wij hebben de bliksemafleider en de eierkoker en de sokophouder uitgevonden (lacht), wij zijn dus beter dan jullie, en als jullie dat niet bevalt, hoepel dan vooral een end op’, daar voel ik niets voor. Maar met patriottisme lijkt me niets mis.

Bart De Wever is een bewonderaar van de achttiende-eeuwse Ierse conservatief Edmund Burke. Schept dat een band?

Dat doet het inderdaad. Ik vind bij Burke met name het volgende zeer waardevol: het inzicht dat er niet zoiets bestaat als een bepaalde blauwdruk voor problemen die van tevoren kant en klaar gereedligt en die je maar hoeft toe te passen. En verder het besef dat wij onderdeel zijn van een stroom die het verleden met de toekomst verbindt, en dat we dus verantwoordelijkheden hebben tegenover zowel onze voorgangers als de mensen die na ons zullen komen. Dat besef van culturele continuïteit, en van het feit dat je als individu daar maar een heel klein deeltje van bent, dat je het meeste geërfd hebt, betekent anderzijds natuurlijk ook weer niet dat je het verleden slaafs moet navolgen. Burke was niet de soort conservatief die zei: alle verandering is uit den boze. Dat zou evident belachelijk zijn – en hoe zou ik, als arts, kunnen ontkennen dat er vooruitgang is, ik hoef alleen maar terug te denken aan de tijd dat we nog geen behoorlijke anesthetica hadden. Maar dat er ook zoiets bestaat als verandering ten kwade, of op zijn allerminst dat verandering behalve goede ook nadelige gevolgen kan hebben – ik vraag me weleens af of al die eeuwig enthousiaste hervormers van alles daar ooit bij stilstaan.

Grenzen trekken, en dan specifiek voor jezelf, met andere woorden zelfbeheersing, en zowel de noodzaak als het toenemend verdwijnen ervan in onze samenleving, is misschien wel hét grote thema van uw werk.

Dat zou je misschien zo kunnen zeggen, ja. Op de een of andere manier is het volgende idee overheersend geworden, en dan zeker in Groot-Brittannië: ‘Wie zijn impulsen moet bedwingen, gaat die verdringen, en verdringing is heel slecht, daar word je ziek van. Dus is het beter om je impulsen uit te leven, bij voorkeur onmiddellijk.’ Dat is, uiteraard, pertinent onwaar – het is bijvoorbeeld aangetoond dat mensen die bij relatief kleine ergernissen zichzelf al niet meer in de hand kunnen houden, juist méér last ondervinden van wat hen ergert dan mensen die zich gedragen en niet voor het minste of geringste in woede uitbarsten – wat sowieso ook een stuk prettiger is voor hun omgeving en dus voor de samenleving als geheel. Onmiddellijke driftbevrediging, althans het onvermogen om daar als de omstandigheden dat vereisen van af te zien, is slecht voor een mens. Het hedendaagse losgeslagen consumentisme is daar maar één voorbeeld van, maar ook de verruwing van de omgangsvormen, het verdwijnen van werkelijke empathie ten voordele van sentimentaliteit: het komt allemaal op hetzelfde neer. Ik pleit voor grotere weerbaarheid, en dus – dat vloeit er automatisch uit voort – meer fatsoen.

Academic vacuity can go no further

Screen Shot 2015-12-22 at 07.54.50Even at his most opaque, writes Dalrymple, one sometimes glimpses in Jürgen Habermas

a meaning, or a connotation, as one might glimpse a giant panda in a bamboo forest. It is this dialectic between incomprehensibility and meaning that has given him a reputation for profundity. His thoughts lie too deep for words, and the fault lies with us, not with him.

Habermas

tries to squeeze significance out of truisms, as a constipated man tries to squeeze stools out of a reluctant colon.

Compared with reading a Habermas book, says Dalrymple,

going to the dentist is a pleasant experience.

Habermas is held in high esteem, which is itself

of sociological and psychological interest. Audiences have been known almost to swoon at his Teutonically polysyllabic vaticinations.

Habermas, Dalrymple points out, is

largely incomprehensible; where he is comprehensible, he is either banal or wrong, or both. He is often funny, but not intentionally.

Habermas has made a career

as a torturer of language,

yet underlying his platitudinous but mistaken verbiage

is something sinister: the communist, fascist and Nazi dream of the abolition of politics, in favour of mere administrative decision-making by a supposedly enlightened élite, armed with indubitable truth from which their decisions follow syllogistically.

Dalrymple adapts Burke slightly:

In the groves of Habermas’s academy, at the end of every vista, you see nothing but the gallows.

The invincible complacency of the Dutch

A discussion of the Netherlands in particular and the northern European mess in general.