Category Archives: manners

‘Voor bralnationalisme voel ik niets’

Screen Shot 2016-06-20 at 23.02.48De conservatieve cultuurcriticus Theodore Dalrymple over nationalisme, zelfbeheersing en fatsoen. ‘Wij zijn beter dan jullie, en als jullie dat niet bevalt, hoepel dan vooral een end op’, daar voel ik niets voor.

Door het boekje dat u samen met Bart De Wever hebt gepubliceerd (Vrijheid en oprechtheid, 2011), wordt u in Vlaanderen sterk met de N-VA vereenzelvigd. Maar wat vindt u eigenlijk van nationalistische partijen?

Laat me eerst zeggen dat ik De Wever een van die zeldzame politici vind die althans gevoel voor humor hebben. Hij is ook erudieter dan ik van politici gewend ben, spreekt vier talen – dat verdient respect. Maar wat het nationalisme betreft: het hangt er helemaal van af wat men er precies onder verstaat. Het soort uitsluitende bralnationalisme à la ‘Wij hebben de bliksemafleider en de eierkoker en de sokophouder uitgevonden (lacht), wij zijn dus beter dan jullie, en als jullie dat niet bevalt, hoepel dan vooral een end op’, daar voel ik niets voor. Maar met patriottisme lijkt me niets mis.

Bart De Wever is een bewonderaar van de achttiende-eeuwse Ierse conservatief Edmund Burke. Schept dat een band?

Dat doet het inderdaad. Ik vind bij Burke met name het volgende zeer waardevol: het inzicht dat er niet zoiets bestaat als een bepaalde blauwdruk voor problemen die van tevoren kant en klaar gereedligt en die je maar hoeft toe te passen. En verder het besef dat wij onderdeel zijn van een stroom die het verleden met de toekomst verbindt, en dat we dus verantwoordelijkheden hebben tegenover zowel onze voorgangers als de mensen die na ons zullen komen. Dat besef van culturele continuïteit, en van het feit dat je als individu daar maar een heel klein deeltje van bent, dat je het meeste geërfd hebt, betekent anderzijds natuurlijk ook weer niet dat je het verleden slaafs moet navolgen. Burke was niet de soort conservatief die zei: alle verandering is uit den boze. Dat zou evident belachelijk zijn – en hoe zou ik, als arts, kunnen ontkennen dat er vooruitgang is, ik hoef alleen maar terug te denken aan de tijd dat we nog geen behoorlijke anesthetica hadden. Maar dat er ook zoiets bestaat als verandering ten kwade, of op zijn allerminst dat verandering behalve goede ook nadelige gevolgen kan hebben – ik vraag me weleens af of al die eeuwig enthousiaste hervormers van alles daar ooit bij stilstaan.

Grenzen trekken, en dan specifiek voor jezelf, met andere woorden zelfbeheersing, en zowel de noodzaak als het toenemend verdwijnen ervan in onze samenleving, is misschien wel hét grote thema van uw werk.

Dat zou je misschien zo kunnen zeggen, ja. Op de een of andere manier is het volgende idee overheersend geworden, en dan zeker in Groot-Brittannië: ‘Wie zijn impulsen moet bedwingen, gaat die verdringen, en verdringing is heel slecht, daar word je ziek van. Dus is het beter om je impulsen uit te leven, bij voorkeur onmiddellijk.’ Dat is, uiteraard, pertinent onwaar – het is bijvoorbeeld aangetoond dat mensen die bij relatief kleine ergernissen zichzelf al niet meer in de hand kunnen houden, juist méér last ondervinden van wat hen ergert dan mensen die zich gedragen en niet voor het minste of geringste in woede uitbarsten – wat sowieso ook een stuk prettiger is voor hun omgeving en dus voor de samenleving als geheel. Onmiddellijke driftbevrediging, althans het onvermogen om daar als de omstandigheden dat vereisen van af te zien, is slecht voor een mens. Het hedendaagse losgeslagen consumentisme is daar maar één voorbeeld van, maar ook de verruwing van de omgangsvormen, het verdwijnen van werkelijke empathie ten voordele van sentimentaliteit: het komt allemaal op hetzelfde neer. Ik pleit voor grotere weerbaarheid, en dus – dat vloeit er automatisch uit voort – meer fatsoen.

Postcard from Moshi

Writing from the lower slopes of Mount Kilimanjaro, an elated Dalrymple writes that the Tanganyikans are 'the best-mannered people I have ever met'

Writing from the lower slopes of Mount Kilimanjaro, an elated Dalrymple affirms that the Tanganyikans are ‘the best-mannered people I have ever met’

The eternally hypocritical English bourgeoisie

Screen Shot 2015-05-09 at 18.15.18The British lower classes are deeply unpleasing, having been thoroughly corrupted by welfarism. But the classes of Briton that excite the most disgust are the upper middle, to which Britain’s current, lamentable prime minister belongs.

It is not just the world-class snobbery and hypocrisy of the British upper-middle classes that repel. (The snobbery and hypocrisy persist, or are even heightened, despite the nation’s third-rate, piffling status. As snobs and hypocrites, Britons punch above their weight.)

Middle-class Britons are greatly more vulgar — and sillier — than before. They are the silly-billy bourgeoisie, and the idea of duty, responsibility, probity or self-restraint is alien to them, especially if they work in that abyss of imaginary money, the City of London. Dalrymple has, for example, often drawn attention to the grotesque, insensible vulgarity of one of their favourite magazines, the How To Spend It supplement of the Financial Times newspaper. They are, writes Dalrymple,

the underclass, but with more money.

The British middle classes are ‘not a pretty sight or a grateful sound’, for they

lack refinement in their tastes, except in matters of expensive technological appurtenances…Their manners, down to their gestures and very facial expressions, are crude, coarse and brutish.

The barbarous British

I'm British. Now fuck off!

I’m British. Now fuck off!

The British have become the coarsest and most ill-mannered people of just about anywhere, and certainly of Europe.

Yet it is an aspect of their hubristic self-indulgence and self-absorption that they would be astonished — indeed, they would not believe you — if you told them how truly despised they are, for this and many other reasons, by so many people around the world. Dalrymple is one of the few British writers who has even noticed this, let alone pointed it out.

In Britain, gracelessness, he writes,

has become, by an ideological inversion, a manifestation of virtue. Egalitarians demand equalisation of manners.

He notices that egalitarians are

as attached as everyone else to their own material possessions and have no real intention of forgoing them. The struggle for equality—of the actual rather than the formal kind—has therefore to be transferred to fields in which it will cost the egalitarian nothing. What better way to prove your credentials than by adopting the supposedly free-and-easy, utterly informal manners of those at the bottom? Such informality demonstrates another quality beloved of intellectuals: superiority to the dictates of convention.

Sordor of the Britishers

Dalrymple writes:

A crude culture makes a coarse people, and private refinement cannot long survive public excess.

In no country

has vulgarisation gone further than in Britain. A nation famed not so long ago for the restraint of its manners is now notorious for the coarseness of its appetites and its unbridled and antisocial attempts to satisfy them.

The mass drunkenness

goes hand in hand with the crude, violent and shallow relations between the sexes.

Britain’s mass bastardy

is not a sign of an increase in the authenticity of our human relations but a natural consequence of the unbridled hedonism that leads to chaos and misery. Take restraint away, and violent discord follows.

This is not nostalgie de la boue;

this is total immersion in the boue itself, the boue in which they live and breathe and take their cultural being, the boue from which it is highly unlikely that they will now ever crawl.